Het algemene gedeelte van de masteropleiding beoogt, geformuleerd in eindtermen, dat de student(e):

–     getoond heeft, de kennis en het inzicht opgedaan in de studie op bachelor­niveau te hebben verdiept en verbreed en op een integratieve manier te hebben leren toepassen in een voor haar/hem nieuw onderzoeksgebied;

–     het vermogen verworven heeft om in ingewikkelde vragencomplexen tot een redelijk onafhankelijk oordeel te komen;

–     heeft geleerd om op heldere en coherente wijze verslag te doen van eigen onderzoek en van de conclusies die daaruit kunnen volgen;

–     heeft geleerd de eigen wetenschappelijke aanpak zelfkritisch bij te sturen en aldus grotendeels zelfstandig verder te kunnen werken in de wetenschap.

Wat de inhoud betreft wordt in het algemeen gedeelte van de masteropleiding bijzondere aandacht gegeven aan de doorwerking en vertolking van het bijbelse, joodse en christelijke erfgoed, in het bijzonder in de protestantse traditie, binnen de hedendaagse plurale en globale samenleving.

Met het oog daarop wordt de opleiding aangeboden in het kader van twee onder­zoeksgebieden, in één waarvan de student(e) naar interesse, motivatie en talenten een hoofdvak kiest. Het gaat om:

Theologie, kerk, samenleving (TKS)

Deze onderzoeksgroep richt zich op de connectie tussen het aloude geloof en eigentijdse vormen van geloof, maar ook van twijfel en verzet. Kennis van de geschiedenis, (zelf)kritiek en creativiteit worden binnen de onderzoeksgroep verdiept. Een beginnende zelfstandigheid wordt aangekweekt in het beoordelen en opzetten van onder­zoek op het vakgebied. Er wordt inzicht ontwikkeld in de betekenis van zulk onderzoek voor de kerkelijke en de maatschappe­lijke praktijk en, meer algemeen, in de kritische en heuristisch relevante wissel­werking tussen onderzoek en praktijk.

Bijbel, Jodendom en vroege Kerk (BJvK)

De onderzoeksgroep richt zich op de doorwerking en uitleg van de Bijbel in joden­dom en christendom in de context van de Grieks-Romeins wereld, met aandacht voor de wederzijdse uitwisseling en beïnvloeding van jodendom en christendom. De student(e) verwerft grotere vaardigheden op het gebied van de literaire, historische en inter­tekstuele bestudering van de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament en van de rabbijnse en patristische literatuur. De doorwer­king in de hedendaagse context heeft enerzijds een heuristische betekenis en is anderzijds zelfstandig thema van onderzoek.

Ingangseisen zijn bekendheid met het Bijbels Hebreeuws en het Koine-Grieks.

In de masteropleiding wordt een interdisciplinaire oriëntatie uitdrukkelijk nage­streefd. Afhankelijk van het thema en de probleemstelling van de masterproef wordt het leggen van dwarsverbindingen tussen beide onderzoeksgebieden gesti­muleerd.

 

 

Semester 1 sp Semester 2 sp
M101 Rituelen interdisciplinair I 10 M101 Rituelen interdisciplinair II 5
M102 Bijvakstudie 5 M107  Belgische Kerkgeschiedenis 5
M103 Hoofdvak 10 M110  Pastorale psychologie 5
M104 Onderzoeksmethodologie 5
30 15
Semester 3   Semester 4
M105 Ambt en leiderschap 10
M108 Wereldreligies 5 M106 Masterproef 25
M109 Kerk en Jodendom in heden en verleden 5
20 25

Zo vroeg mogelijk in het eerste semester wordt het programma van elke student(e) vast­gesteld:

–   het hoofdvak wordt gekozen binnen één van de onderzoeks­groepen, de student(e) spreekt een voorkeur uit, de docentenvergadering beslist en wijst een begeleider aan;

–   in overleg met de begeleider wordt het (voorlopige) thema van de masterproef gekozen;

–   het bijvak wordt gekozen in overleg met de begeleider en eveneens vastgesteld door de docentenverga­dering.

Vanaf het eerste semester wordt de literatuur voor het hoofdvak bestudeerd in regel­matig contact met de begeleider.

Studenten binnen één onderzoeksgroep hebben regelmatig contact met hun begeleiders over inhoud en vorderingen van hun project. Zij wonen zo mogelijk ook enkele samenkomsten bij van de onder­zoe­­ks­groep.

Het bijvak wordt gekozen in functie van het hoofdvak en nader bepaald door het thema van de masterproef.